Bertolt Brecht’s Episch Theater in de hedendaagse cinema; Von Trier’s “Dogville”

Onderstaand essay is een van de examenpapers voor de opleiding Master Filmstudies en Visuele Cultuur aan de UAntwerpen.

In volgend essay zal ik trachten het theaterprincipe van Bertolt Brecht (1898-1956), dat bekend staat als het Episch Theater, toe te passen op de hedendaagse cinema. Zijn theaterprincipe, dat ontstond in de problematische context van de Weimarrepubliek (1918-1932), bestaat erin het publiek te activeren en een kritische houding te doen aannemen door het gebruik van specifieke vervreemdingseffecten.

Deze methode die identificatie met de acteur vermijdt en de gewaarwording van theater als illusoir voorstelt, wordt tot op de dag van vandaag nog steeds toegepast in de cinema. Zo bijvoorbeeld bij David Lynch, Alain Resnais, Rainer Werner Fassbinder en Jean-Luc Godard. Om theater en film in deze context aan elkaar te relateren zal ik in de eerste plaats kort analyseren van waaruit het principe van Brecht’s Episch Theater vertrekt, om nadien te benaderen hoe deze als functie kan dienen voor de film als medium. In dit essay zou ik meer specifiek de focus willen leggen op het werk van Deens filmregisseur Lars von Trier (1956-…). Ik zal trachten te analyseren in hoeverre zijn films beïnvloed zijn door het episch theaterprincipe en daarbij vooral Dogville, een film uit 2003, als exemplarisch voor Brechtiaanse cinema willen benaderen. Deze film werkt niet enkel filmtechnisch vervreemdend op het publiek, maar refereert ook thematisch naar werken van Bertolt Brecht.

Theoretisch kader: Brecht’s Episch Theater in de cinema

brecht1Bertolt Brecht’s bekende principe van het Episch Theater laat zich plaatsen binnen de context van de Duitse Weimarrepubliek (1918-1932) en bijgevolg een periode van politieke bewaking en censuur op alle culturele gebieden. De media werd gebruikt als propagandamateriaal, waardoor men als het ware de heersende ideologie aan het publiek oplegde. Binnen de filmstudies kan men Bertolt Brecht en zijn theaterprincipe relateren aan de Frankfurterschule (met vertegenwoordigers zoals Adorno en Horkheimer). Beïnvloed door het Marxisme was hij ervan overtuigd dat de cultuurindustrie in de Weimarrepubliek louter functioneerde als instrument van het kapitalisme. Mediaconsumptie, en dus ook theater, werkte als verdovend en als legitimatie van dit kapitalisme en de politieke ideologie van de Republiek, die het publiek als realiteit aannam. Het publiek nam een uiterst passieve positie in en daarop bood Brecht een passend weerwoord (hoewel hij veel stukken buiten Duitsland schreef wegens een dreigende juridische vervolging).

Het Episch Theater berust algemeen gezien op het principe dat theater slechts illusie is; het is geënsceneerd en mag niet als waarheid aangenomen worden. Opdat het publiek zich niet zou identificeren met personages en zich bewust zou blijven van het illusoire (en dus geleid zou worden door zijn ratio en niet door emoties) ontwierp hij specifieke vervreemdingstechnieken zoals directe aanspreking van het publiek, onderbreking door liederen en dans, het zichtbare veranderen van decors enzovoort. Brecht wil het passieve publiek activeren door het artificiële van theater te benadrukken en het bijgevolg aanzetten tot het innemen van een kritische positie, inclusief tegenover de maatschappelijke context en de politieke situatie. Brecht zelf heeft ook enkele filmrealisaties op zijn palmares, zoals Kuhle Wampe, waarin de vervreemding gerealiseerd wordt door montagetechnieken[1].

In de moderne cinema vindt men hier nog steeds sporen van terug, weliswaar vaak enkel formeel. Zo zal niet elke film die Brechtiaanse stijlkenmerken vertoont eenzelfde ideologische bijklank hebben die kenmerkend was voor het originele Episch Theater. Deens filmregisseur Lars von Trier kan gerelateerd worden aan Brecht, maar wegens de lengte van dit essay zal ik me beperken tot het aantonen in hoeverre zijn meesterwerk Dogville (2003) zowel formeel als intertekstueel op Brecht’s theaterprincipe berust.

Toepassing: Lars von Trier’s Dogville

Dogville is de eerste film in van Trier’s trilogie USA-A Land of Opportunities (Manderlay vormt het 2e deel (2005) gevolgd door Washington, dat nog niet uitgebracht is). De gehele trilogie vormt een kritiek op Amerikaanse hypocrisie, alsook op de Hollywoodfilmindustrie, die films maakt over andere landen over de hele wereld en zo pretendeert de dominerende cultuur te kennen en begrijpen, maar deze in van Trier’s ogen slechts onderwerpt aan de Amerikaanse dominante politieke en culturele ideologie[2]. Deze visie kan geïllustreerd worden door volgend citaat uit Linda Badley’s boek Lars von Trier, dat tevens een mooi aanknopingspunt vormt voor de verdere analyse van Dogville als Brechtiaanse film:

…and the film becomes a lesson in the economy of desire and the sadomasochistic relations of power (106).

 Ook filmtechnisch vertoont Dogville karakteristieken van de Brechtiaanse cinema. De film is als het ware opgenomen als zijnde theaterstuk, letterlijk op scene gefilmd. Het dorp is met krijt uitgetekend en decorstukken die dienen om de verschillende huizen af te bakenen zijn praktisch afwezig of te doorbreken. Dogville kan op deze manier als soort geteleviseerd of filmisch theater beschouwd worden. Ook structureel is de film zoals een theaterstuk in scènes of hoofstukken onderverdeeld. Het bestaat namelijk uit  9 hoofdstukken en een proloog, die telkens van elkaar afgescheiden worden door een inleidende tekst die aangeeft wat in het volgende hoofdstuk zal gebeuren.

Inhoudelijk behandelt Dogville het verhaal van Grace (Nicole Kidman), een jonge vrouw die uitgebuit wordt, en zelfs fysiek misbruikt, door de corrupte bevolking van een geïsoleerd Amerikaans mijnersdorpje in Colorado in de jaren ’30. Grace biedt haar hulp aan bij allerlei klusjes in ruil om te mogen onderduiken. Intertekstueel en thematisch refereert Dogville naar Brecht’s bekende stuk Die Dreigroschenoper (1931) en meer bepaald naar de ballade Seeräuber Jenny, over een zeeroversbruid. Dit lied behandelt de thematiek van wraak en de onderdrukte vrouw die de macht grijpt, zoals deze in de slotscène van Dogville ook aan bod komt[3]. Aan het einde van de film blijkt Grace gezocht te worden door haar eigen vader, die ze ontvluchtte wegens zijn wreedheid. Als hij ten tonele verschijnt biedt hij haar de keuze met hem terug huiswaarts te keren en Grace neemt wraak op de bewoners van Dogville door het dorp in brand te steken. Zo benadrukt Dogville de onmogelijkheid tot verandering van de maatschappij; het kwaad zit in de mens ingebakken en dit is onomkeerbaar De aanvankelijk ‘goede’ Grace keert haar eigen normen en waarden de rug toe en neemt dezelfde positie in als de ‘slechte’ dorpsbewoners, waardoor Dogville zich aan het einde opwerpt als moreel vraagstuk (deze thematiek kan ook gerelateerd worden aan Brecht’s stuk Der Gute Mensch von Szechuan)[4].

brechtAls laatste zal ik nog enkele specifieke vervreemdingseffecten die Lars von Trier in Dogville gebruikt willen vermelden. Zo bijvoorbeeld de voice-over van John Hurt, die de rol van verteller aanneemt, maar verder niet in beeld komt. Het gebruik van een podium als setting creëert zoals reeds vermeld het effect bij de kijker niet in de film en situatie betrokken te worden, maar deze neemt het geheel eerder waar als soort ‘kijkkast’. Ook het muziekgebruik werkt vervreemdend in die zin dat de hele film gedomineerd wordt door de klassieke muziek van Vivaldi en Pergolesi, maar bij de aftiteling hoort men plots het fel contrasterende Young Americans van David Bowie ( tevens een maatschappijkritisch lied)[5].

Conclusie

Het Episch Theater van Bertolt Brecht oefent tot op de dag van vandaag niet enkel grote invloed uit op het theater, maar tevens ook in andere culturele velden zoals de cinema. In dit essay heb ik Brecht’s theaterprincipe toegepast op de moderne cinema van Deens filmregisseur Lars von Trier en dit door specifiek te focussen op de film Dogville als representatief voorbeeld van Brechtiaanse cinema. Zowel thematisch als filmtechnisch vertoont deze film gelijkenissen met Brecht en het concept van Verfremdung, zoals deze door Brecht geïntroduceerd werd als middel om een maatschappijkritische positie te kunnen innemen.

[1] Jovanovic, Nena (2011). “Montage and Theatricality as Sources of Estrangement; A Tendency in Contemporary Brechtian Cinema”. Theatre Symposium, 19, 114.
[2] Wikipedia. (2013). Lars von Trier. Geraadpleegd op 17 december 2013 via http://en.wikipedia.org/wiki/Lars_von_Trier
[3] Badley, Linda. Lars von Trier. Urbana : University of Illinois Press, 2011, 101.
[4] Koutsourakis, Angelos (2008). “The Crisis of Identity: The Negative Dialectics of History in Lars von Trier’s Europa Trilogy”. Communications from the International Brecht Society, 37, 139-140
[5] Badley, Lars von Trier, 103.

 

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s